Oormerken varkens als overtreding van artikel 36 Gwwd
Categorie: Welzijn, Ingrepen, Productiedieren, Nederland, Jurisprudentie, Nummer 0Rechtbank Amsterdam 4 november 2004, nr. 13/086172-03, artikel 36 lid 1 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Het is in Nederland verboden om dieren te houden, te verhandelen of te vervoeren die niet geregistreerd zijn en geïdentificeerd kunnen worden. De Regeling identificatie en registratie van dieren (in het vervolg: de regeling) geeft tot in de details aan wat een veehouder of hobbydierhouder daartoe allemaal moet doen. Het gaat bij deze regeling om koeien, varkens, geiten en schapen (voor paarden bestaat een afzonderlijke regeling). De bijlage bij de regeling bevat een opsomming van toegelaten typen oormerken en dergelijke.
In de regeling is de relevante Europese regelgeving geïmplementeerd, en die laat volgens het Ministerie van LNV geen ruimte om tegemoet te komen aan bezwaren van dierhouders, die menen dat het aanbrengen van merken het welzijn van hun dieren benadeelt. De praktijk wijst uit dat dieren met de merken blijven hangen achter onderdelen van hun stal, waardoor hun oren uitscheuren en verwondingen ontstaan, maar daar is helaas niets aan te doen [1]. Goede I & R draagt onder andere bij aan de bescherming van de volksgezondheid en voor dat doel moet dierenwelzijn wijken - zoals ook altijd blijkt in tijden van crisis, als er een besmettelijke dierziekte door Nederland of een andere lidstaat waart [2].
Op de verplichting tot oormerken is een uitzondering gemaakt voor een groep gewetensbezwaarde houders van koeien. De minister heeft in september 2002 een Uitvoeringsprotocol gewetensbezwaarde identificatie en registratie van runderen vastgesteld, dat geldt voor veehouders die zich voor een bepaalde datum bij het ministerie schriftelijk als gewetensbezwaarde hebben aangemeld. Deze veehouders kunnen hun dieren weiden zonder dat ze oormerken dragen; wel moeten uiteindelijk (door de slachter) slachtmerken worden aangebracht.
In een uitspraak van 7 juli 2003 (nrs. 06/035659-02 en 06/035064-03; LJN-nummer: AH9569) oordeelde de economische politierechter te Zutphen over deze maatregel: "Dit protocol is niet in de Staatscourant gepubliceerd en er wordt - ondanks ruime aandacht voor I & R - geen melding van gemaakt op de internetsite van het ministerie en het protocol is niet, althans niet uitdrukkelijk, gebaseerd op enig wettelijk voorschrift".
Verdachte in de Zutphense zaak - Diana Saaman, journaliste en daarnaast biologisch varkenshoudster - had zich aangemeld als gewetensbezwaarde maar heeft geen reactie van het ministerie mogen ontvangen. Omdat de minister nooit heeft gemotiveerd waarom het protocol slechts voor bepaalde dieren geldt, acht de rechter de toepassing ervan willekeurig. Het Openbaar Ministerie wordt op dit onderdeel van de tenlastelegging niet-ontvankelijk verklaard [3].
Ten behoeve van een volgende zaak omtrent het oormerken van varkens (Gerechtshof Leeuwarden 15 juli 2004, nr. 24-000809-03; LJN-nummer: AR2363) heeft het ministerie meer inzicht verschaft in deze scheve situatie.
In deze zaak ging het blijkbaar om een proefproces; verdachte is op eigen verzoek geverbaliseerd voor het niet oormerken van de varkens in haar opvangcentrum. Tijdens de zitting beriep de verdediging zich expliciet op het vonnis van 7 juli 2003. Het hof kon echter beschikken over een nota van het ministerie waarin de achtergronden van het totstandkomen van een regeling voor rundveehouders en het ontbreken van een dergelijke regeling voor varkenshouders worden toegelicht.
Deze nota komt blijkens de overwegingen van het hof op het volgende neer. De voor het merken van runderen geldende Europese regels laten in principe geen ruimte voor uitzonderingen op de merkplicht in geval van gewetensbezwaren. Overleg over eventuele alternatieve merkvormen heeft niet geleid tot concrete Europese maatregelen. Om uiteindelijk toch tot volledige uitvoering van de Europese regelgeving te komen is, in overleg met de Tweede Kamer, besloten tot het opzetten van een apart handhavingstraject voor gewetensbezwaarde rundveehouders. Indien een gewetensbezwaarde de identiteit van een rund kan aantonen met behulp van onder andere foto's en DNA-materiaal, en er een koppeling kan worden gelegd tussen het rund en het op het voor het rund bestemde oormerk vermelde identiteitsnummer, wordt de gewetensbezwaarde niet geverbaliseerd. Bij het verlaten van het bedrijf moet het rund alsnog worden gemerkt. De groep gewetensbezwaarden bestaat uitsluitend uit veehouders die ten tijde van de introductie van de merkplicht hebben aangegeven gewetensbezwaarde te zijn. Het gaat dus om een zeer beperkte groep die in de loop der tijd alleen maar kleiner wordt en uiteindelijk zal verdwijnen. (Op het moment van de zitting waren er nog dertig gewetensbezwaarde rundveehouders). Ieder ander die runderen wil gaan houden weet of kan weten dat de runderen overeenkomstig de EU-voorschriften moeten worden gemerkt.
Voor varkens, aldus de nota, gelden andere omstandigheden. De merkplicht voor varkens is reeds in de jaren zeventig van de vorige eeuw ingevoerd. Er is toen niet gebleken dat er varkenshouders met gewetensbezwaren waren. Er is nooit sprake geweest van het treffen van een eventuele voorziening. De oormerkplicht is altijd onverkort gehandhaafd. De minister kan dan ook niet inzien hoe een varkenshouder in de veronderstelling kan verkeren dat de oormerkverplichting voor haar dieren niet zou gelden.
Het hof accepteert deze nadere uitleg. Het ontbreken van een regeling voor gewetensbezwaarde varkenshouders is niet ongefundeerd. Deze uitspraak leek enige duidelijkheid te scheppen.
In november 2004 kiest de economische politierechter te Amsterdam, die niet naar bovenstaande uitspraken verwijst, echter een heel andere benadering. Hij lijkt het gezichtspunt van de dieren in zijn overwegingen te betrekken. De plicht om dieren niet te mishandelen is opgenomen in een formele wet, de plicht tot oormerken daarentegen in een regeling van lagere rangorde (namelijk een ministeriële regeling). Het wettelijk verbod van dierenmishandeling gaat dan ook boven de oormerkplicht.
Een houdster van twee runderen, zeven varkens en twee schapen te Amstelveen - de landelijk bekende Dafne Westerhof - heeft haar dieren niet gemerkt op de door de regeling voorgeschreven wijze. Dat zij anders met haar dieren omgaat dan anderen blijkt al uit het feit dat ze in de uitspraak niet alleen bij hun ID-code of UBN, maar ook bij hun poëtische namen worden genoemd: Rosamunde, Caesar, Aagje, Mannetje Bromsnor, Lady Lolita… Samen vormen ze de familie Bofkont.
De rechter acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen (de verdachte heeft ook bekend) en het bewezene is strafbaar. Naar het oordeel van de rechter is verdachte echter niet strafbaar omdat zij heeft gehandeld ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. Artikel 36 lid 1 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) verbiedt het verdachte en ieder ander dieren pijn of letsel te bezorgen zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is.
De oormerkplicht dient naar het oordeel van de rechter wel een redelijk doel - het voorkomen van (verdere verspreiding van) besmettelijke dierziekten, het beschermen van de volksgezondheid - maar de gekozen methode is disproportioneel. Er bestaan immers ook minder pijnlijke methoden dan het aanbrengen van één of twee oormerken, met alle risico's van dien. Met name het inbrengen van een chip biedt perspectieven. Bij honden en katten is dat reeds gebruikelijk, bij paarden is het zelfs verplicht. "Daarom valt niet in te zien dat deze methode niet óók bij runderen, varkens en schapen kan worden toegepast. Anders gezegd: sinds enige tijd is voor deze dieren het oormerken te beschouwen als overschrijding van wat ter bereiking van het doel ervan toelaatbaar is."
Verdachte heeft met andere woorden een geslaagd beroep gedaan op de strafuitsluitingsgrond van art. 42 Wetboek van Strafrecht: handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. Aan de in de literatuur en de rechtspraak ontwikkelde voorwaarden is voldaan. Het ingeroepen wettelijk voorschrift dient een taak of plicht in te houden. Dat is bij artikel 36 Gwwd inderdaad het geval. Vervolgens moet de hiërarchie tussen de conflicterende plichten worden vastgesteld. "De plicht om geen dierenmishandeling te plegen is gegoten in de vorm van een wet in formele zin, de oormerkplicht in die van een regeling van lagere rangorde dan een wet in formele zin. Verdachte heeft dus de juridisch zwaarste plicht het zwaarst laten wegen. Ook aan de tweede eis is dus voldaan."
Verdachte wordt van alle rechtsvervolging ontslagen.
Deze zaak heeft aanleiding gegeven tot kamervragen (Handelingen II 2004-2005, Aanhangsel nr. 440). In zijn antwoord verwijst de minister zoals te verwachten viel naar de Europeesrechtelijke grondslagen van de Regeling identificatie en registratie van dieren. Maar ook artikel 36 Gwwd heeft een Europeesrechtelijke dimensie. Het dient althans mede ter implementatie van artikel 3 van Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren - aldus de toelichting bij het op de richtlijn gebaseerde Besluit welzijn productiedieren [4]. Artikel 3 van de richtlijn luidt: "De lidstaten zorgen ervoor dat de eigenaar of houder alle passende maatregelen treft om het welzijn van zijn dieren te verzekeren en te waarborgen dat die dieren niet onnodig aan pijn of leed worden blootgesteld en dat hen geen onnodig letsel wordt toegebracht".
Zoals gezegd wordt oormerken meestal niet onnodig geacht [5], maar deze rechter biedt een opening: identificatie dient een redelijk doel, is nodig - maar dat wil nog niet zeggen dat een ingreep als oormerken nodig is.
Het OM is in hoger beroep gegaan; wordt vervolgd!
[1] Zo reeds de eerste uitspraak over dit onderwerp, Voorzitter CBB 17 februari 1993, KG 1993, 112.
[2] Staatsblad 1999, 568, p. 5.
[3] Het is opvallend hoeveel onduidelijkheid er bij de pers met betrekking tot dit soort zaken bestaat; zo meldt de Volkskrant van 24 juni 2003: "Bij koeien zijn oormerken niet verplicht meer".
[4] Zie E.C. de Bordes en E. Evertsen, Jurisprudentie Wetgeving dierenwelzijn, Den Haag 2004, p. 105-109.
[5] Dierhouders klagen regelmatig over de inferieure kwaliteit van de merken, maar daar gaan rechters nooit op in; recent bijvoorbeeld Gerechtshof 's-Gravenhage 30 maart 2005, LJN-nr. AT3525.
- Links:
- LJN-nummer AR5196
Wilt u inhoudelijk reageren of een aanvulling doen? Mail de redactie!
