Het Beloofde Varkensland en het strafrecht
Categorie: Ingrepen, Gezelschapsdieren, Productiedieren, Nederland, Jurisprudentie, Nummer 22, AnnotatiesEen commentaar bij het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2008 (NJ 2008, 512), over de plicht tot oormerken.
Wat er aan vooraf ging
Het Beloofde Varkensland bestaat. Het is jaren geleden gesticht door Dafne Westerhof en het bevindt zich in Amstelveen, in de buurt van Amsterdam. Het bestaat uit een stuk grond waar allerlei verwaarloosde, zieke en oude gezelschapsdieren rondlopen, die daar liefdevol verzorgd worden totdat zij doodgaan. Een soort verpleeg- en opvangtehuis voor dieren. Het is een ongebruikelijke omgeving en zoals dat bij een dergelijke omgeving past, verloopt daar niet alles volgens de strikte regeltjes van de wet. De wet in kwestie is de Gezondheids - en welzijnswet voor dieren, die naast veel goeds volgens sommigen ook veel kwaad aanricht, met name waar zij de verplichting oplegt dieren te oormerken. Dat stuit Dafne tegen de borst. Zij weigerde schaap Eddy en schaap Caesar van een oormerk te voorzien en ook het varken Billie Bofkont en zijn soortgenoten met hun aansprekende namen moeten niet zo’n raar ding in de oren geniet krijgen. Dat is dierenmishandeling. Dafne is bang dat de dieren die vrij rondlopen zich bezeren; identificatie door een oormerk is onnodig omdat de dieren toch nooit meer het land af komen en bovendien heeft zij ze voorzien van een chip. Dafne is onverbiddelijk, maar dat zijn dienaren van de wet ook. In 2003 wordt proces-verbaal opgemaakt en het Openbaar Ministerie gaat tot vervolging over. Dafne wordt in eerste instantie door de rechter in Amsterdam ontslagen van alle rechtsvervolging. In hoger beroep wordt zij door het Gerechtshof aldaar veroordeeld, maar haar wordt geen straf opgelegd. Dafne laat het er niet bij zitten. Zij gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Daar wordt ze bijgestaan door Gerard Spong, advocaat te Amsterdam. Op 16 september doet de Hoge Raad uitspraak. De raad wijst het beroep af en laat het arrest van het hof in stand. Dafne is en blijft dus veroordeeld voor het niet oormerken van haar dierbare schapen en varkens.
Waarom aandacht voor deze zaak?
Op het eerste gezicht is dit geen wereldschokkende zaak. Er is een wet die verplicht dieren te oormerken en doe je dat niet dan ben je strafbaar. De stelling dat je tegen oormerken bent, omdat dat een vorm van dierenmishandeling is, is niet sterk wanneer de wet die dierenmishandeling verbiedt dat oormerken dwingend voorschrijft. Er is alleen ontsnapping mogelijk wanneer de wet zelf een uitzondering maakt of wanneer je beroep kunt doen op een of andere regel uit het recht, die het mogelijk maakt onder een wettelijke plicht uit te komen. Dat is uiteraard niet eenvoudig. In dit geval zegt Dafne dat de wet niet van toepassing is, omdat de verplichting tot oormerken in haar geval geen nut heeft. Dat is hetzelfde soort argument dat de boze foutparkeerder gebruikt, wanneer hij stelt dat hij weliswaar verkeerd geparkeerd stond, maar dat de wet op hem niet van toepassing is omdat hij in zijn geval niemand tot last was en het verkeer niet in gevaar heeft gebracht. Het voor de hand liggend antwoord daarop is dat dat er niet toe doet. Het verbod is nu eenmaal ingesteld en de vraag of dat verbod in dit geval het verkeersbelang diende is niet meer terzake. Het speelveld voor straffeloosheid in dit soort zaken is dus zeer klein. Dat blijkt ook uit deze zaak. De rechtbank vond dat Dafne niet strafbaar was, terwijl de rechter in hoger beroep verklaarde dat ze dat wel is - maar geen straf oplegde. De Hoge Raad is het met de laatste rechter eens. Men kan er dus verschillend over denken en dat alleen al maakt de zaak interessant. Verder heeft deze zaak ook een meer principiële kant. Het gaat om een strafzaak, waarin de verdachte zegt volstrekt eerbare redenen te hebben om een wettelijke verplichting niet na te willen of kunnen komen. Dat is een uitgangspunt dat de aandacht verdient. We leven nu eenmaal niet in een cultuur waarin de wet in alle gevallen het laatste woord heeft. Ook ‘overtuigingsdaders’ moeten een kans krijgen. De vraag wordt dan, of ons strafrecht soepel genoeg is om dergelijke daders ruim baan te geven. Die vraag wil ik in dit commentaar op de uitspraak van de Hoge Raad onder ogen zien.
Commentaar
Mijn commentaar is een strafrechtelijk commentaar. Het gaat mij om redeneringen, die vanuit het strafrecht op deze zaak van toepassing zijn. De vraag of het wel zo belangrijk was juist deze zaak voor de rechter te brengen laat ik rusten. Het gaat mij om - zoals we dat in het recht wel deftig zeggen – het bespreken van leerstukken oftewel uitgangspunten, die in stelling kunnen worden gebracht om uitzonderingen op de regel van strafbaarheid te rechtvaardigen. Van sommige van die leerstukken heeft de verdediging in cassatie creatief en intelligent gebruik gemaakt. Ik bespreek ze, zal uitleggen wat de betekenis daarvan is en zal op die manier inzichtelijk maken welke mogelijkheden het recht biedt om in dit soort zaken tot een bevredigende uitkomst te komen. Ik beperk mij na een korte terugblik tot de procedure in cassatie voor de Hoge Raad. Het proces voor de rechtbank en voor het gerechtshof is in dit blad al uitgebreid besproken. Voor een goed begrip van mijn commentaar is nog belangrijk te weten dat de cassatieprocedure een ander karakter heeft dan de twee voorgaande procedures. Cassatie staat geheel in het teken van de vraag of de lagere rechter – in dit geval dus het gerechtshof – het toepasselijke recht juist heeft toegepast. De zaak wordt niet meer verder onderzocht, niemand wordt meer gehoord en er komen geen nieuwe feiten meer aan bod. Voor de Hoge Raad is alleen relevant of het hof op de juiste manier heeft beslist, dat wil zeggen: op de juiste manier op de tegenwerpingen van de verdachte heeft gereageerd. Tegenwerpingen zijn de verweren die in het geding naar voren zijn gebracht. Als ik het heb over een verweer doel ik op het standpunt dat de verdediging voor een van de rechters innam en waarop deze heeft gereageerd. Als ik commentaar geef is dat dus commentaar op de manier waarop de heren en dames met elkaar in debat zijn gegaan. Ik geef daarbij aan wanneer dat naar mijn mening anders had gekund.
1. Bij de rechtbank beriep de verdediging zich onder andere op artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht (niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift), in samenhang met de structuur van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd). Die wet ligt weliswaar ten grondslag aan een verplichting tot identificatie van dieren, maar wanneer daarvoor oormerken worden gebruikt is die verplichting strijdig met artikel 36, dat in algemene woorden dierenmishandeling strafbaar stelt. Dierenmishandeling is ‘zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier benadelen’. De economische politierechter oordeelde dat het verbod op dierenmishandeling inderdaad boven de plicht tot oormerken gaat.
Nu kent de Gwwd ook een afzonderlijk verbod op het verrichten van lichamelijke ingrepen bij dieren. In artikel 40 is bepaald dat lichamelijke ingrepen bij een dier, “waarbij een deel of delen van het lichaam wordt of worden verwijderd of beschadigd”, verboden zijn. Dat zijn vormen van dierenmishandeling. Op het verbod worden echter uitzonderingen gemaakt voor het onvruchtbaar maken van dieren en voor ingrepen, waarvoor een geneeskundige noodzaak bestaat. Vervolgens worden ook ingrepen toegestaan die bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld. Die ingrepen zijn dus niet met naam en toenaam genoemd, maar kunnen later door de minister worden aangewezen binnen de kaders van de wet. Een van die kaders is de noodzaak dieren te kunnen identificeren, vooral met het oog op het indammen van besmettelijke dierziekten. Europese wetgeving verplicht de minister maatregelen te nemen om besmettelijke ziekten onder dieren te voorkomen en te bestrijden en geeft hem daartoe verschillende wapens in handen. Het oormerken van dieren is een in die context aangewezen, dus toegestane ingreep.
De advocaat-generaal in hoger beroep baseerde zijn betoog op de verhouding tussen artikel 36 en artikel 40 Gwwd. De ene bepaling is – zo stelt hij - de uitwerking van de andere. Zij verhouden zich tot elkaar als een algemene bepaling tegenover een speciale bepaling. De algemene is artikel 36, de bijzondere is artikel 40 dat bepaalde ingrepen, die formeel als dierenmishandeling moeten worden beschouwd, desondanks toelaat. Een generalis-specialis verhouding, zeggen we in het strafrecht. In artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat de specialis voorrang moet krijgen boven de generalis. Volgens de advocaat-generaal is er dus voor artikel 36 in dit verhaal helemaal geen rol weggelegd.
De verdediging bestrijdt dit. “Er is geen sprake van een ‘generalis-specialis’-verhouding (...), zodat het oormerken moet worden aangemerkt als een schending van artikel 36 die niet kan worden gerechtvaardigd met een beroep op artikel 40.”
Het hof volgt het OM en niet de verdediging. De rechters schuiven het verweer over de rand van de tafel, door te stellen dat artikel 40 een nadere uitwerking is van artikel 36 en dat van een tegenstelling tussen die bepalingen, die meebrengt dat de ene boven de ander gaat, geen sprake is. Oormerken is in deze visie geen vorm van dierenmishandeling. De Hoge Raad is het met deze aanpak eens en meent dan ook dat het verweer terecht verworpen is. Hij beroept zich daarbij ook op het feit dat de verplichting tot oormerken een Europese verplichting is en dat de minister door te bepalen zoals hij deed niet buiten zijn boekje is gegaan.
Dat snijdt allemaal wel hout, moet ik toegeven. De verdediging was heel creatief, maar men kan er moeilijk omheen dat artikel 40 voor de verplichting tot oormerken een uitzondering maakt op het algemene verbod van dierenmishandeling. De hele opbouw van de wet wijst daarop, maar ook de tekst van de bepalingen zelf. Een dergelijke aanpak zien we ook in andere wetten. Ik geef een voorbeeld uit de Wegenverkeerswet. Die kent een algemene bepaling in artikel 5 die zegt dat u het verkeer niet in gevaar mag brengen. Maar de wet kent ook het voorschrift dat u niet door rood mag rijden. Als u door rood rijdt zonder het verkeer in gevaar te brengen kunt u niet zeggen, dat u de verplichting om het verkeer niet in gevaar te brengen hebt laten voorgaan boven de plicht voor rood te stoppen. Aan het algemene verbod om het verkeer onveilig te maken kunt u niet een verplichting ontlenen om overtredingen te plegen. Aan het algemene verbod op dierenmishandeling kan Dafne Westerhof niet de verplichting ontlenen om haar dieren niet te oormerken.
Deze aanpak heeft alleen helemaal niets te maken met het leerstuk van de generalis – specialis in het strafrecht. Dat leerstuk is oude dogmatiek, die in de praktijk alleen relevant is wanneer de specialis een lager strafmaximum heeft dan de algemene. Dan gaat de specialis voor. Dat is hier niet aan de orde. Het strafmaximum bij overtreding van artikel 36 Gwwd is hetzelfde als bij overtreding van artikel 40.
2. Het tweede verweer in cassatie is een beetje een herhaling van het eerste, voorzover de verdediging aanvoert dat, ook al zou er tussen de artikelen 36 en 40 Gwwd een verhouding bestaan van algemeen en speciaal, die niet in de weg staat aan een beroep op het eerder geciteerde artikel 42 Sr. De verdediging meent zoals gezegd dat er een strijd gaande is tussen twee rechtsplichten. Het hof heeft aan dat verweer niet afzonderlijk aandacht besteed en de Hoge Raad gaat er ook niet op in. In de conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad – een soort juridisch advies – wordt ook in reactie op dit verweer gezegd dat uit het algemene verbod dieren te mishandelen nooit de verplichting kan voortvloeien zich te onthouden van het oormerken van dieren, “zodat (verdachte) zich evenmin in het kader van een beroep op art. 42 Sr op zo een verplichting kon beroepen”.
Ook het beroep op een strijd van rechtsplichten en daarmee op artikel 42 Sr is oeroude dogmatiek die anno 2008 niet meer speelt. Men dacht indertijd aan het geval dat iemand door de wet verplicht wordt iets te doen dat een andere wet hem verbood. Dat is hier niet het geval. Het verbod om dieren te mishandelen is geen door de wet opgelegde verplichting dieren niet te kwellen, zoals het verbod om te stelen geen door de wet opgelegde verplichting is van de spullen van een ander af te blijven. Het beroep op artikel 42 is daarom kansloos.
3. Het derde verweer stelt de vraag aan de orde of er geen sprake kan zijn van het toelaten van uitzonderingen op de identificatieverplichting, zolang men maar handelt naar de geest van de Europese regelgeving. Die regelgeving laat inderdaad uitzonderingen toe, in die zin dat bij heel kleine veestapels – één varken of minder dan drie schapen - oormerken niet verplicht is en onder omstandigheden kan worden vervangen door een andere identificatiemethode. Het probleem bij die regeling is echter, dat de minister van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt. Wat daarvoor de reden is, kan ik niet overzien, maar het is wel een feit. De regels van staatsrecht en strafrecht laten dan niet toe dat een burger bij een rechter met succes kan klagen over wat de wetgever had moeten of kunnen doen. Als de minister meent op zijn manier de richtlijn te moeten uitwerken, is dat een zaak van hem en de Kamer en daar gaat de rechter niet over. De rechter moet een dergelijk betoog dus wel van de hand wijzen.
4. Het vierde verweer is een variant van het vorige. Opnieuw wordt betoogd dat de verplichting tot oormerken in situaties als die van de verdachte in strijd is met de richtlijnen, omdat zij verder gaat dan die richtlijnen, die slechts minimumeisen kennen. Ook dit verweer is ten dode opgeschreven omdat de minister nu eenmaal de vrijheid heeft verder te gaan dan Europa voorschrijft.
5. Het vijfde verweer is heel technisch van aard. Het stelt dat de verplichting om schapen te oormerken geldt voor schapen die na 9 juli 2005 zijn geboren en dat was voor Eddy en Caesar niet het geval. De stelling was, dat deze nieuwe regeling een heel ander regiem creëerde dan de oude en dat de oude regeling daarmee vervallen was. Aangezien strafwetten niet met terugwerkende kracht in werking kunnen treden – expliciet verboden in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht – zou er geen verplichting meer zijn genoemde schapen te oormerken. Jammer genoeg gaat ook deze stelling niet op. Er gold al eerder een regeling die het oormerken van schapen verplicht stelde en deze vervalt niet doordat er een nieuwe regeling komt, zo stelt de Hoge Raad eenvoudig vast. Ook daar valt weinig op af te dingen.
6. Het zesde verweer is het meest interessant. Nu wordt beroep gedaan op overmacht. Overmacht (artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht, niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen) kennen we als een beroep op een strafuitsluitingsgrond. Overmacht kent twee varianten. De ene noemen we psychische overmacht. Deze bestaat hieruit dat de verdachte zegt in een psychisch onhoudbare situatie gekomen te zijn, waaruit hij of zij slechts kon ontsnappen door de wet te overtreden. De psychische druk is van dien aard dat haar de wetsovertreding niet kan worden aangerekend. Haar treft dan geen schuld. In het gewone strafrecht wordt dit verweer wel eens gevoerd in acute noodsituaties, meestal in de sfeer van geweld of doodslag. De tweede variant is wat minder dramatisch. Dan wordt beroep gedaan wordt op een conflict van plichten. De verdachte stelt in een conflict van plichten geraakt te zijn dat hem of haar noopte de wet te overtreden om een hoger belang te dienen. Een dergelijk verweer gaat alleen maar op wanneer men een afweging kan maken tussen het hogere belang (het doel dat de dader voor ogen had, in casu het welzijn en het behoud van de integriteit van dieren) en het geschonden belang (de wetsovertreding). Proportionaliteit noemen we dat. Daarnaast is er de eis van subsidiariteit: er moet geen andere manier zijn geweest dat hogere belang te beschermen dan door de wet te overtreden.
Een beroep op overmacht wordt nog al eens afgewezen, wanneer de rechter van mening is dat de verdachte een dergelijke penibele situatie had kunnen voorzien. Dat wordt ook hier van de kant van het hof tegengeworpen. Het hof zegt begrip te hebben voor de betrokkenheid van de verdachte bij haar dieren. Het kan echter niet voorbijgaan aan het gegeven dat zij zichzelf in een positie heeft gebracht, waarbij zij een keuze moest maken tussen ofwel naleving van de wettelijke voorschriften ofwel toegeven aan haar bezwaren daartegen. Toen zij in 1997 begon met het houden van dieren was zij op de hoogte van de toen reeds jaren bestaande en met veel publiciteit gepaard gaande oormerkplicht, aldus het hof. Een dergelijke weerlegging noemen we een ‘culpa in causa’ redenering. Die houdt in dat de verdachte het aan zichzelf te wijten heeft dat hij of zij in een bepaalde situatie terecht is gekomen (eigen schuld). Die redenering wordt wel eens aanvaard, maar in ons strafrecht wordt er ook op gewezen dat een dergelijke redenering door de rechter te vaak wordt gebruikt om aan de zaak zelf niet toe te komen. Door eenvoudig achteraf vast te stellen dat de situatie voorzienbaar was - en dat is vaak zo – komt de vraag naar een afweging van belangen niet meer aan de orde.
De verdediging laat het er daarom in cassatie niet bij zitten. In cassatie wordt tegen deze redenering aangevoerd dat dit argument de stelling, dat oormerken eigenlijk niet nodig was, onbesproken laat. De dieren van verdachte zijn niet voor productie of consumptie bestemd, zij mogen het erf van de verdachte niet verlaten en de ratio achter oormerken – uitroeiing van en controle op dierziekten – is dus niet aan de orde. De Hoge Raad gaat daar helemaal niet op in en laat het verweer onbesproken (dat is toegestaan en gebeurt vaak wanneer het toch geen succes zou hebben). De Advocaat-Generaal bespreekt het wel. Hij zegt dat dit betoog niet opgaat “omdat zijdens de verdachte niet is gesteld en het Hof evenmin heeft vastgesteld dat zij erin had voorzien dat ook aan de ratio van genoemde regeling recht zou worden gedaan wanneer zij onverhoopt niet meer in staat zou zijn haar dieren te verzorgen of (plotseling) zou komen te overlijden en de verzorging van de dieren dus aan anderen zou moeten worden overgelaten”. Dit argument klinkt niet heel sterk. De Advocaat-Generaal probeert het nog een beetje goed te maken door te stellen dat er geen bewijs is voor de noodzaak niet geoormerkte dieren te houden. Dat sluit wel aan op het beroep op overmacht maar dat wordt niet verder uitgewerkt omdat in cassatie nu eenmaal uitgegaan wordt van de feiten zoals zij eerder door de rechter zijn vastgesteld.
Op dit punt had men wat meer mogen verwachten. De verdediging had meer kunnen benadrukken dat het achterweg laten van oormerken in de bijzondere omstandigheden van dit geval geen enkel nadeel berokkent aan de doelstellingen van de wet, voor zover die er op gericht zijn door oormerken ziektes en dergelijke te voorkomen. De dieren waren voorzien van een chip, zij waren te identificeren en er waren allerlei maatregelen genomen om te voorkomen dat ze ziektekiemen zouden verspreiden. In feite wordt het beoogde doel langs andere weg bereikt. Er zijn evenwaardige alternatieven toegepast, wordt dan de stelling. Wanneer dat verweer zo zou zijn ingekleed, klinkt daar een late echo door van het klassieke Veeartsarrest uit de jaren dertig (HR 20 februari 1933, NJ 1933, 918). Daar ging het om een veearts die, tegen de woorden van de toenmalige Veewet in, gezonde koeien in een besmette stal – en daarmee in besmette toestand – had gebracht. De veearts stelde dat zijn daad gerechtvaardigd was, omdat hij daarmee juist handelde in het belang van de veestapel. Ik weet niet of een dergelijk betoog bij het Beloofde Varkensland ook geholpen zou hebben, maar het betoog had kunnen zijn dat Dafne uiteindelijk een minstens zo belangrijk doel van de Gwwd nastreefde: het welzijn van dieren, ook die in het Beloofde Varkensland. Dat doel rechtvaardigt dan de formele wetsovertreding. Nogmaals, of het had geholpen weet ik niet - maar het was te proberen geweest. Er zijn meer zaken bekend waarin een dergelijk beroep succesvol was.
7. Tenslotte is er het verweer dat Dafne haar dieren voorzien heeft van een chip. Dat was de opmaat voor de stelling dat andere dieren wel van een chip kunnen worden voorzien om herkenning mogelijk te maken maar de dieren van Dafne niet. Het getuigt van discriminatie dat de dieren in het Beloofde Varkensland geen chip mogen dragen. Het zou – en nu komt het – in strijd zijn met het rechtsbeginsel dat discriminatie tussen dieren onderling verbiedt. Het hof stelt dat een dergelijk beginsel geen steun vindt in het thans geldende recht. Het overweegt ook nog dat er bij de toepasselijke regelgeving geen sprake is van inbreuk op eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, gelet - zo zegt het hof - op de verschillen in aantallen, concentraties en bestemmingen tussen met name paarden en andere viervoeters. Heel gevat wordt daar in cassatie tegen aangevoerd dat het onderscheid tussen de genoemde diersoorten het verschil in identificatiemethode nog niet rechtvaardigt. De Hoge Raad gaat er niet op in. De Advocaat-Generaal is het met de verdediging niet eens. Er is geen steun in het recht te vinden voor de stelling dat discriminatie tussen dieren ontoelaatbaar is en als die er wel zou zijn is het gemaakte onderscheid daarmee niet in strijd. En daarmee is de zaak geëindigd.
Aldus de rechtsgeleerdheid rond het oormerken van dieren in het Beloofde Varkensland.
Wat leert dit arrest?
In de eerste plaats dat het altijd de moeite waard is alles in stelling te brengen om het doel te bereiken dat men voor ogen heeft, ook al ziet de zaak er tamelijk kansloos uit. Met veel kennis van zaken en creativiteit van de kant van de verdediging zijn er heel wat versperringen op te werpen die het de rechter lastig maken de zaak met een hamerslag af te doen. Dat is al heel wat. In de tweede plaats leert deze zaak hoe ingewikkeld de wetgeving op het punt van dierenwelzijn is. Het venijn zit in de veelheid aan regelingen - men heeft een kapmes nodig om zich in dat woud een weg te banen naar een opening die er dan niet blijkt te zijn. Er is nauwelijks een opening gelaten om zoiets sympathieks en ongevaarlijks als het Beloofde Varkensland ruimte te geven. De speelruimte van de betrokken wetgeving is minimaal en daarmee ook de speelruimte die rechters wordt gegund. De wetgever heeft duidelijk gekozen voor een regeling die geen uitzonderingen kent en die dus streng en strikt is. De minister heeft de ruimte die Europa biedt niet benut. Een onpersoonlijke handhaving is blijkbaar de enige manier om diergezondheid te bevorderen, ook al wordt dierenwelzijn daarvan het slachtoffer. Over ontheffingen heb ik niets gelezen. Deze aanpak doet mij denken aan andere strafrechtspraak in de sfeer van landbouw of veeteelt, waar gedetailleerde regelgeving ook geen ruimte laat voor alternatieve vormen van bijvoorbeeld bemesting of geneeswijzen van dieren. Al met al overheerst een sfeer van een tamelijk rigide toepassing van regelgeving, die in de praktijk van het gewone leven geen compassie heeft voor wat er ook in dierenland en omstreken leeft. Dat is jammer. Gelukkig is er in deze zaak nog artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Dat artikel geeft rechters de gelegenheid elke strafzaak af te doen zonder opleggen van straf. Dat artikel was bedoeld om bagatelzaken af te doen die – in verband met de geringe ernst van het feit, of de omstandigheden waaronder het feit is begaan - geen straf vergden. Dat het hier is toegepast mag men zien als een teken dat ook de rechters sympathiek tegenover de zaak stonden, maar dat de wet hen geen ruimte bood anders te beslissen.
Hoge Raad 16 september 2008, LJN-nr. BC8651
Simon Stolwijk was tot 2007 hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef onder meer een boek over het strafrecht getiteld: "Een inleiding in het strafrecht in 13 hoofdstukken", Kluwer, 2de druk 2007.
Wilt u inhoudelijk reageren of een aanvulling doen? Mail de redactie!
